Mandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden Openbaar Minister Art. 3
Aan het College wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de minister behorende aangelegenheden op het terrein van het Openbaar Ministerie, met uitzondering van:
a. het nemen van besluiten en het voeren van correspondentie neergelegd in een document, gericht tot: 1°. de Koning; 2°. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie; 3°. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie; 4°. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State; 5°. de president van de Algemene Rekenkamer; 6°. de Nationale ombudsman voor zover het gaat om het geven van een verbod als bedoeld in artikel 14 Wet Nationale ombudsman . b. De bevoegdheden die in artikel 2, eerste lid onder a en b aan de secretaris-generaal zijn verleend.
Historique des modifications
- In werking sinds 2023-03-23